Bij de tweede druk:
Taal is ons belangrijkste communicatiemiddel. Maar wat ais je eikaar niet verstaat, letterlijk of figuurlijk?
In 1983 wijdde het AFRIKA MUSEUM een tentoonstelling aan een bijzondere, woordeloze vorm van communicatie onder de titel 'Zeg het met deksels'. Toen werd de collectie spreekwoorddeksels getoond, die pater Jan Vissers heeft opgebouwd tijdens zijn jarenlange verblijf onder de Fioten.
De kleine, met symbolen versierde houten schijven vervulden een belangrijke rol bij dit volk: ze brachten het gesprek over een gevoelig liggend onderwerp op gang. De keuze van het thema benadrukte tevens het belang dat het museum hecht aan communicatie met zijn bezoekers via de collectie.
De taal van deze spreekwoorddeksels bleek het publiek onmiddellijk aan te spreken. Zelfs zó dat het tegelijkertijd verschenen boekje over dit onderwerp snel was uitverkocht en de vraag ernaar aanhield.
Dankzij een bijdrage van het ministerie van WVC is de tweede druk nu een tastbaar feit. Het is geen herdruk: enkele wijzigingen hebben de oorspronkelijke uitgave geschikt gemaakt ais catalogus bij de kleine tentoonstelling van spreekwoorddeksels, die nu onderdeel van de vaste expositie is.
Daarnaast is deze uitgave verfraaid door het gebruik van kleuren uitgebreid met afbeeldingen van andere voorwerpen die pater Vissers samen met zijn broer verzameld heeft.
 Wij kennen het spreekwoord: een goed verstaander heeft genoeg aan een half woord. Om de Fioten en hun samenleving te gaan begrijpen is hopelijk dit boekje vooreerst voldoende.
 

Berg en Dal                                     Ineke Eisenburger
september 1985                                   conservator
 
 
 

INHOUD

WOORD VOORAF
INLEIDING
HET LEZEN VAN DE POTDEKSELS
FIGUREN EN SPREEKWOORDEN
LITERATUUR
 
 

Woord vooraf

Sinds 1964 is het Afrika Museum in Berg en Dal in het bezit van een collectie zogenaamde 'spreekwoorddeksels', verzameld door Pater Jan Vissers C.S.Sp.

Deze missionaris, die 25 jaar van zijn leven temidden van de Fioten (Bantu's) heeft doorgebracht, was een van die mensen die begrepen, dat, wilde je werkelijk contact krijgen met de bevolking, je dan de taal en de gewoonten moest leren kennen. Hij werkte, leefde en dacht samen met hen en is er dan ook in geslaagd dit contact tot stand te brengen, zonder evenwel hun geheel eigen cultuur te ontwortelen.

Tijdens zijn langdurig verblijf in West Afrika raakte Jan Vissers geleidelijk aan steeds meer geboeid door de etnologie en verzamelde hij in samenwerking met een klein aantal gelijkgezinde collega's een schat aan gegevens en voorwerpen. Zo legde hij met name een prachtige collectie spreekwoorddeksels aan. De bespreking van deze potdeksels vormt de hoofdinhoud van dit boekje. Wat deze collectie zo waardevol maakt is het feit, dat Jan Vissers - soms met zijn broer Frans - elk stuk voorzien heeft van uitvoerige tekst en uitleg.

Het verzamelen van deze 'sprekende' deksels was niet altijd even gemakkelijk. Zo schreef Jan Vissers in 1947 naar Nederland: 'Het vervaardigen van de potdeksels is een stervende kunst. Alles wijst erop, dat er over 50 jaar geen spoor meer te vinden zal zijn van deze deksels. De jongere vrouwen hebben er geen interesse meer voor en gebruiken liever emaille exemplaren om hun pannetjes te bedekken of wanneer ze arm zijn, een vochtig gemaakt en vele malen dubbelgevouwen palmblad.

Slechts oude moedertjes bewaren en gebruiken nog de spreekwoorddeksels en ze doen er niet graag afstand van, want ieder deksel is een deel van hun leven, een historie die ze zich herinneren, een reliek van een vreugdevol of droevig gebeuren in hun huwelijksleven.'

Het gebeurde wel, dat Jan Vissers een spreekwoorddeksel kreeg als beloning voor het verplegen van een zieke.

In plaats van een kip, die men hem uit dankbaarheid wilde brengen vroeg hij dan een potdeksel.

Ook kreeg hij wel deksels in ruil voor bijvoorbeeld een medaille. Omdat hij zo'n grote bewondering had voor deze vorm van kunstuiting van de Fioten wilde hij voorkomen, dat de spreekwoorddeksels verloren zouden gaan voor het nageslacht en probeerde hij er zoveel mogelijk te verzamelen.

In de loop der jaren is Jan Vissers erin geslaagd enkele honderden spreekwoorddeksels bij elkaar te krijgen, waarvan het Afrika Museum er 73 in bezit heeft.

Het zijn houten schijven, waarop verschillende figuren in reliëf zijn uitgesneden. Deze figuren zijn de plastische uitbeelding van spreekwoorden en zegswijzen en ze vertellen ons iets over huwelijksproblemen en conflicten van de Fioten. Want wanneer een Fiote-man zijn etenspotje afgesloten vindt met een bepaald spreekwoorddeksel, dan weet hij, dat er iets aan zijn huwelijk mankeert en dat zijn vrouw hem door middel van dit spreekwoorddeksel de boodschap geeft wat dat dan wel is. Al 'lezende' kan hij achter de betekenis van haar boodschap komen en de afgebeelde spreekwoorden zijn hem daarbij behulpzaam.

Uit dit boekje van Jan Vissers blijkt ook hoe belangrijk spreekwoorden zijn in Afrika. Er bestaat een Bantu-woord voor wijsheid ('maele'), dat het meervoud is van het woord voor spreekwoord ('leele'). Met andere woorden: wanneer je steeds spreekwoorden tot je beschikking hebt en je ze op de juiste wijze weet toe te passen, bezit je grote wijsheid en geniet je veel aanzien. Deze wijsheid is de geconcentreerde wijsheid van de voorouders. Zij schreven geen boeken (de meeste Afrikanen kennen geen schrift), maar drukken hun levenservaring, hun kennis en wijsheid uit in taal- en stijlfiguren, die naderhand zó bekend werden, dat ze een plaats kregen in de van generatie op generatie overgeleverde volkswijsheid.

Een spreekwoord citeren is de wijsheid van de voorouders aanhalen en het zijn de voorouders, die de hoogste (morele) autoriteit vormen na hun God. Zij staan aan de oorsprong van de spreekwoorden en overlappen met hun autoriteit de totaliteit van het dagelijks leven.

In spreekwoorden heeft men in Afrika een gemakkelijke manier gevonden om overgeleverde wijsheid te leren, te onthouden en door te geven.

Van het overgrote deel is niet bekend wie ze als eerste heeft gebruikt, maar uit hun grammaticale constructie kunnen we afleiden, dat de meeste spreekwoorden erg oud moeten zijn.

In het dagelijks leven spelen spreekwoorden ook een grote rol. Nu nog zeggen ze bijvoorbeeld in West-Afrika, dat je een kind moet opvoeden aan de hand van spreekwoorden. Wanneer je van kinds af de mensen steeds in deze taal hoort praten, leer je spelenderwijs de symbolische betekenis ervan. Later ga je in de leer bij de dorpsoudste , die voor zijn lessen vaak een presentje ontvangt in de vorm van een kalebas of kolanoten. Zo krijg je, wanneer je de spreekwoorden in acht neemt, een uitstekende opvoeding, want zij vormen de mens en leren hem het kwaad te vermijden.

Wanneer er in Afrika een geschil door rechtspraak beslist moet worden, maakt men ook graag gebruik van spreekwoorden. Het is zelfs zó, dat degene, die de meeste spreekwoorden tot zijn beschikking heeft en ze op de juiste wijze weet toe te passen (en dus over de meeste wijsheid blijkt te beschikken), de beste kans heeft te winnen.

En vervolgens nemen spreekwoorden en gezegden een belangrijke plaats in in het amusementsleven.

De meeste schrijverszijn het erover eens, dat de hoofdfunctie van een spreekwoord de evaluatie is. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen positieve en negatieve evaluatie, afhankelijk van de effecten. In het eerste geval worden spreekwoorden gebruikt om iemand in dat gedrag te sterken, dat als acceptabel, goed en juist beschouwd wordt.

Met andere woorden: iemand wordt aangemoedigd dat gedragspatroon te handhaven, dat goedgekeurd wordt door de overige leden van de groep. Daar tegenover staat, dat een spreekwoord ook aangewend kan worden bij de poging dat gedrag te veranderen, dat niet wordt goedgekeurd door de overige leden van de groep.

Een dergelijke functie vervult ook het spreekwoorddeksel. Een vrouw laat door middel van zo'n deksel haar man weten, dat ze vindt, dat er wel iets mankeert aan zijn gedrag binnen het huwelijk.

Aangezien haar man niet alleen eet, maar samen met zijn familieleden en vrienden, zien die het deksel ook en met elkaar zullen ze proberen de ruzie bij te leggen en de ontstane conflictsituatie op te lossen om een mogelijke echtscheiding te voorkomen. Ze zullen proberen het gedrag van de man (of van de vrouw) bij te schaven en aan te passen.

De afgelopen jaren heeft Jan Vissers het niet gemakkelijk gehad. Hij was ziek toen hij uit Afrika terug kwam en lichamelijk zwaar gehandicapt. Maar met een ongelooflijke wilskracht is het hem gelukt dit boekje te schrijven.

Mij is gevraagd zorg te dragen voor de redactie. Dat heb ik met plezier gedaan, want de grote waarde van het werk van Jan Vissers op het gebied van de spreekwoorddeksels kan niet genoeg onderstreept worden.

Ook anderen hebben via het Afrika Museum hun medewerking verleend aan de totstandkoming van dit boekje, maar Jan Vissers zelf verzamelde de deksels en de gegevens en gaf tekst en uitleg,

lk hoop, dat dit boekje de aandacht zal krijgen dat het verdient.

Marion Kooistra
 
 


Dorp van de Fiote met in het centrum clan-afdaken, de ontmoetingsplaats voor de mannen.











Inleiding

leder land en volk heeft zijn eigen cultuur. Als men naar het buitenland gaat, hoeft men niet eerst het bordje 'grens' te lezen om aan de gebouwen en straten te zien dat men duidelijk in een ander land reist.

Zo ook Cabinda, aan de westkust van Afrika, ten Noorden van de Congo, nu Zaire geheten. Vroeger was het een Portugese Protectoraat, later omgedoopt tot een deel van de zogenaamde overzeese gebiedsdelen van Portugal en thans deel uitmakend van de autonome staat angola.

De bewoners zijn negers die van de blanken veel namen hebben gekregen, zoals Bawoyo, Balungu, Balingi, Bakongo, enz. De negers daar noemen zichzelf Mfiot (meervoud Bafiot).

Zoals bij alle Bantu-talen vormt men het meervoud door de eerste lettergreep van het enkelvoud te veranderen. Terwille van de leesbaarheid zou ik deze termen willen veranderen in Fiote en Fioten.

Het Congo-rijk M'Banza Congo had sinds 1491 een soort dictatoriale heerser. Zijn titel was Mani-Congozinga Mbemba. Toen de Portugezen kwamen, doopten ze hem met de naam Dom Afonso I. Zijn zetel was in een dorp dat nu Sao Salvador wordt genoemd, en zijn rijk strekte zich uit tot de stad Pointe-Noire (voormalig Frans Congo) en Kinshasa (exBelgisch Congo).

Het was een machtig rijk. Maar op de Koloniale Conferentie van Berlijn (1884-1885) werd zijn rijk in drie stukken gescheurd en drie landen kregen er een deel van: Portugal,

België en Frankrijk. De Fioten trokken zich van de willekeurige grenzen niets aan. Door duizenden bospaadjes hielden ze een levendig contact met hun bloedverwanten. Toch was het lastig. Ze konden gesnapt worden en bij gebrek aan een visum, in de gevangenis belanden. Daarbij kwam nog, dat ze, of ze wilden of niet, de invloed van het blanke bestuur ondervonden, vooral in het taalgebruik.

Op bovengenoemde Conferentievan Berlijn eiste België ook een stuk van angola op, dat doorgang verleende van de havenplaatsen Boma en Matadi naar de Atlantische Oceaan. Deze eis werd ingewilligd en zo werd in 1885 de nieuwe Cabinda geboren.

De onrechtvaardige scheiding door de corridor was en is een voordeel gebleken voor de cultuur van de Fioten. Opgesloten in hun territorium en praktisch onbereikbaar voor de Portugese autoriteiten, vormden zij een eigen ghetto. Daardoor is hun taal ongerept gebleven en werd hun cultuur uitgediept. Als ik enige verschillen bekijk tussen de Fioten en de Muxicongos, bewoners van de streken rond Tombico en Sao Salvador, dan zie ik dat de taal van de Muxicongos doorspekt is met woorden van Portugese afkomst. Maak ik daarbij nog een vergelijking tussen de verbrande, versleten potdeksels van de Fioten en de emaille deksels van de Muxicongos, dan zijn deze laatste een net, maar droevig gezicht. Het is een verarmend aspect van de verwestelijking van hun cultuur.

Cabinda telt circa 58.000 Fioten, verspreid over kleine dorpjes en willekeurig samengedreven in de steden waar het Portugese bestuur zetelde.

De Fioten waren, en zijn van huis uit, een intelligent volk. Dat werd indertijd al bewezen door het feit dat de heerser Dom Afonso I zijn eigen zoon, Dom Henrique, naar Rome stuurde om daar te studeren. Deze zoon werd in 1518 tot bisschop van Utica gewijd. Hij keerde terug naar zijn vaderland en stierf, na een voorbeeldig leven, korte tijd daarna.

Nu kan men opmerken, dat dit in volledige overeenstemming was met de taktiek van de Portugezen, die bij hun veroveringen steeds het motto hadden van kolonisering met 'kruis en zwaard'. Maar dan moet ik toch wel zeggen, dat er in angola heel wat stammen zijn, zoals de Muxicongos en de Kiokos, die nooit een bisschop geleverd hebben.

De Fioten waren ook zeer gewild als huisknecht en manusjevan-alles in de hoofdstad Luanda, en als kelner op de Portugese boten.
ledere generatie heeft de neiging om zijn wijsheid door te geven. Maar de Fioten hadden geen alfabet. Daarom grepen zij naar de studie van de spreekwoorden en volksgezegden. Maar het gesproken woord is vluchtig en daarom zochten en vonden zij een blijvende visualisering van hun volksgezegden in het spreekwoordentouw (nsi ngazi-nonga). Dit is een liaan, waaraan vreemdsoortige en ook doodgewone voorwerpen bengelen, zoals een kippepoot, een lapje stof, een bundeltje onkruid, wat krabbescharen, enz. leder voorwerp beeldt een spreekwoord uit. De krabbescharen bijvoorbeeld verbeelden het spreekwoord: 'Men trekt de krab zijn scharen uit, zodat hij niet kan bijten'. Het betekent: 'lk ben weerloos, ik kan me niet verdedigen'. In ieder clandorp hangt het spreekwoordentouw in de veranda en onder het afdak. Zo leert het nageslacht spelenderwijs de wijsheid van de clan. Het is een ezelsbruggetje maar ook een spelletje. Wie de meeste spreekwoorden kent, wordt beloond met de titel 'nkua li-ela' (d.i. de slimste). Het is een goede stimulans en de clankinderen letten goed op bij de gesprekken en rechtspraken, om nieuwe spreekwoorden te kunnen verzamelen voor hun geestelijke bagage. MattenvIechten is vrouwenwerk bij de Fioten en ook hier uit zich de scheppende kracht van de mens. De mat wordt dagelijks gebruikt als zitmat. Het materiaal is broos, gemaakt van een soort stro (bi-ti-ti) en dus gauw versleten. Het stro wordt gekleurd door drie natuurlijke procédés:
zwart: door het in de vennen te leggen.
rood: door het verven met een stof van de tukula-boom (Pterocarus tintorius).
blauw: door het te verven met het sap van wilde, blauwe bosbessen. Met de natuurlijke kleurvan het gedroogde stro (geel), kwam men tot vier kleuren.

De vrouwenvlechten hoekige motieven in hun matten. ledere vrouw heeft haar eigen tekening of patroon. Zij heeft daarop geen patent of alleenrecht, maar zij is eenvoudigweg gespecialiseerd in een eigen figuur voor haar matten.

De ene vlecht krokodillefiguren, de andere beeldt met bijzondere vaardigheid luipaarden uit.

De figuren staan dikwijls voor bepaalde spreekwoorden, die eeuwen-oud kunnen zijn.

Vooral voor etnologen is het interessant dat alle vrouwen gemakkelijk een hakenkruis (swastika) kunnen vlechten. Het hakenkruis behoort tot de oudste symbolen van de cultuurgeschiedenis en kan o.a. de zon voorstellen.

Het woord 'swastika' stamt uit het Sanskriet en betekent 'dat wat goed is'.

Ook de Fioten maken gebruik van het motief van het hakenkruis in hun matten en hun tatoeage, maar in een andere betekenis. In hun matten stelt het hakenkruis een soort gestileerde schildpad voor, zoals men die ook vindt op hun potdeksels.

Hier valt het woord 'potdeksels', in het Fiote 'Mabaia Mazungu'.

Deze potdeksels van de Fioten vormen een unieke branche in de kunst van de wereld en verschaffen mij het hoofdmotief voor dit werkje.
Waarschijnlijk is de handwerkkunst van het vervaardigen van de potdeksels door de Fioten ontstaan rond het jaar 1900.
Met deze deksels kunnen de vrouwen hun mannen bepaalde waarheden onder ogen brengen.
Het zijn ronde plankjes, ongeveer 18 cm in doorsnee, en gesneden uit het houtvan de sa-sanga-boom (ricinodendron africanum). Op de bovenkant staan de figuren in haut-reliëf.

Ledere figuur beeldt een spreekwoord of volksgezegde uit.
Als men de figuren (dus spreekwoorden) goed begrijpt, dan krijgt men een boodschap van de Fiote-vrouw aan haar man.
Behalve het reeds bovenvermelde 'slimste' kind, is er in iedere stam ook wel een gehandicapt kind (nkieya). Zelfs dal wordt in de clan op aangepaste manier in het arbeidsproces opgenomen en wordt dan opgeleid in de handwerkkunst van het potdeksel maken. Bovendien is het een tijdverdrijf dal soms zelfs als kostwinning dienst doet. Het kind heeft er plezier in en langzamerhand leert het alle figuren en de betekenis ervan kennen.
Een wijs kind wordt spoedig door de dorpsoudsten benoemd tot knecht van de nkoti-kuanda: de expert voor aangelegenheden van clangebruiken en tradities, dus ook uiteraard eer groot spreekwoordenkenner. Zo raakt de nieuwkomer thuis in het vak.
 Vanzelfsprekend leren beide kinderen graag. Het is immers geen boekenwijsheid, maar een op de praktijk gerichte, levende wijsheid. En het is een hele eer om door de oudsten van de clan uitverkoren te zijn voor dit werk.

Waar mensen zijn, is er wrijving. Ook bij de Fioten komen wrijvingen voor, ook tussen man en vrouw. Toch streeft de clan, ook uit zelfbehoud, ernaar om de harmonie van het huwelijk te bewaren, geheel in de zin van hun spreekwoord: 'meelopers moeten elkaar en elkaars gewoonten respecteren'. Het is een sussend volksgezegde dat veel wijsheid bevat. Getrouw aan de traditie, eten de echtgenoten niet bij elkaar. Bij het kraaien van de haan verlaat de man de hut, zoekt zijn clangenoten op en gaat jagen, vissen en bouwen. De vrouw doet haar werk in de hut en zorgt voor eten. Tegen etenstijd verzamelen de clanleden zich onder het clanafdak. De vrouw doet het maal van haar man in een etenspotje van aardewerk, dekt het af met een stuk bananeblad en roept een kind. Dit moet het eten naar haar man brengen.

Deze eet het dan rustig en vergenoegd op temidden van zijn clangenoten, die op dezelfde manier door hun echtgenotes voorzien zijn van een maaltijd. Zo is de situatie als het huwelijk rustig verloopt.

Maar als er ruzie dreigt, als de vrouw het niet eens is met de gedragingen van haar man, dan zoekt zij een spreekwoordendeksel op om hem haar gevoelens mee te delen.

Zij heeft reeds bij haar huwelijk een aantal deksels van o.a. haar tantes gekregen, vergezeld van de nodige uitleg van de geschiedenis en van de betekenis. Als zij bij haar voorraad niet vindt wat zij zoekt, gaat ze naar de gehandicapte kunstenaar, vertelt de problemen van haar huwelijk en ontwerpt met hem samen een nieuwe deksel. Ze geeft dan de opdracht het deksel te maken en belooft hem in goederen te betalen.

Weet de kunstenaar het niet, dan gaat ze naar de nkotikuanda, de wijze man. Ze legt hem haar moeilijkheden uit en deze raadt haar aan, aan de kunstenaar te vragen een deksel met die en die figuren te maken, indachtig het spreekwoord: 'Je weigert de medicijnman te betalen?

En als je ziek wordt, wat dan?'

Het potdeksel is gereed, de vrouw plaatst het op het etenspotje van haar man, laat het naar haarechtgenoot brengen en ... wacht dan verder maar af.

Het etenspotje komt onder het afdak. Terstond is er deining: Een apart deksel? Wat betekent dat? De echtelijke twist is plotseling gemeengoed geworden. De man moet opbiechten: hij heeft ruzie gekregen met zijn vrouw door zijn luiheid, door zijn gierigheid, vanwege zijn impotentie, enz. Soms wil zijn vrouw ook niet, dat hij er nog een vrouw bijneemt.

Weigert de man zijn misdragingen op te biechten dan wordt het deksel ontcijferd. Dat is vlug gebeurd, want dezelfde nkoti-kuanda, de wijze man die de kunstenaar raad gaf, zit er ook bij. Het spreekwoord zegt met recht: 'De muur ziet naar binnen, maar ook naar buiten'.

Als een echte toneelspeler kijkt de nkoti-kuanda naar het deksel, bestudeert de figuren en geeft zijn lezing van het geval.

De functionele kracht van de potdeksels is het bewaren van de eenheid tussen de echtgenoten en het handhaven van de vrede in de clan. Immers als er ruzie is in een gezin, dan lijdt de hele clan eronder.

Daarop duidt ook het spreekwoord: 'Als het hert onder de manga-boom ligt, kan het niet slapen', vanwege het geritsel der bladeren.

Dus zoeken de mannelijke clanleden hun zwakke collega bij te staan met raad en daad. Daarbij speelt er ook nog een stukje eigenbelang mee, want mocht de ruzie zo hoog oplopen dat er gevaar voor echtscheiding dreigt, dan komt de kwestie van de bruidsschat die voor de vrouw betaald is aan de orde. Deze moet namelijk bij scheiding weer terugbetaald worden aan de familieleden van de vrouw.

In de meeste gevallen echter is de bruidsschat allang uitgegeven en hebben de clanleden er alle belang bij, dat de ruzie tussen man en vrouw wordt bijgelegd.
 

Het lezen van de potdeksels

Voor de Europeanen is het om twee redenen moeilijk om de potdeksels te lezen en te begrijpen. We kennen niet de oorzaken en het verloop van het echtelijke drama, dat aanleiding werd tot het vervaardigen van het deksel.

Ten tweede valt het negerdenken nietsamen met onze denkpatronen.
lk heb 25 jaar bij deze mensen gewerkt en vaak het ontstaan van potdeksels meegemaakt. Toen ik in Cabinda aankwam, had ik het geluk de Vlaamse Scheutist Leo Bittremieux te leren kennen. Hij was een man vol bezieling voor zijn negers en enthousiast over hun kunst.

Kort voor zijn dood probeerde hij zijn enthousiasme, vooral voor het lezen van de potdeksels, over te dragen aan anderen. Het is hem gelukt. Hij vormde een clubje van internationale etnologen, die trachtten de ziel van de Fioten te begrijpen. Dat waren een Elzasser, drie Portugezen en twee Hollanders. Hun namen: Joseph Troesch, Joaquim Martins, Manuelino de Oliveira, Jose Martins Vaz en de gebroeders Jan en Frans Vissers.

De Portugese pater Jose Martins Vaz werd secretaris van dit groepje. Teruggekeerd in Portugal schreef hij een lijvig boek over de filosofie van de Fioten (1174 bladzijden in twee volumen). In 1966 had ik het geluk en de eer met hem zijn manuscript aan te bieden aan de toenmalige minister van Overzeese gebiedsdelen.

Deze was zo enthousiast dat hij onmiddellijk een subsidie aanbood. Voorde waarde van het werk was het een gelukkige omstandigheid dat de clubleden op onderling verschillende plaatsen van de Cabinda gewerkt hadden, nl. Massabi, Landana, Cabinda en Lukula. Dat verbreedde hun kennis en inzicht.

Het was ondertussen niet meegevallen om een potdeksel in eigendom te verkrijgen. ledere deksel immers is een stuk van het leven van de Fiote-vrouw en een zeer belangrijk stuk. Al haar potdeksels zijn een zoete, en zoute en minstens een bewogen herinnering aan haar huwelijksleven: met dit deksel heeft zij haar man op zijn nummer gezet, met een ander smeekte zij haar man om kinderen te krijgen, met een derde dreigde zij haar man met echtscheiding, enz.

Haar verzameling was voor haar het resumé van een dagboek, en een handleiding bij het vertellen van het verhaal van haar huwelijksleven aan haar kinderen.

Het hierboven vermeide clubje heeft duizenden potdeksels verzameld en dit is wel het voornaamste: de inhoud en betekenis ervan ontdekt.

Een eerste vereiste bij dit werk was wel: 'ku yindula' ; dat is het zich kunnen concentreren op de afbeelding. ledere figuur moet aandachtig bekeken worden, want iedere figuur is het symbool van een spreekwoord. Wel heeft ieder deksel een centrale figuur en (soms vele) bijfiguren.

'Ku yindula' (d.i. 'diep over nadenken') is een sport, een quiz, een rebus, uitgevonden door het Fiote-brein. Onder de concentratie komt het figuurtje langzamerhand in beweging, want ieder figuur is ontleend aan en rijp geworden in het gewone leven van de Fioten.

Neem bijvoorbeeld de Krab. ledere Fiote weet, dat de krab een lekker diertje is, maar gevaarlijk om aan te pakken. Misschien heeft iemand al eens een beet van een krab gekregen. Hij ziet dit feit dan weer voor zich en ... de figuur is tot leven gekomen; het is een waarschuwing, een pas-op-teken.

Wanneer men de krab zonder scharen ziet, herinnert men zich de visvangst. Want wanneer men een krab gevangen heeft, rukt men allereerst zijn scharen uit, zodat hij niet meer kan bijten.

Zó, als het ware onthand, wordt het dier uit het dageljkse leven overgeplant naar het cultuur-leven en wordt het een symbool van machteloze woede.

De kopmand is een luchtige tas, gevlochten van twee palmbladeren. De vrouw zet deze op het hoofd om water te halen en eten te brengen, maar ook om ... te verhuizen. De uitdrukking 'makuela ma nte-ntete' ('Het is een huwelijk van eer kopmandje') betekent, dat de vrouw vaak de neiging vertoont er maar vandoor te gaan. Geplaatst op het potdeksel is hei een dreigement: Ik ga er vandoor'.

Vaak ziet men twee figuren: de zon en de maan. Die zijn het symboolvan de naijver van de maan (de vrouw) ende zon (de man). In het neger-denken is de vrouw de voornaamste ende machtigste persoon. Immers, de clan wil een nageslacht hebben.

De vrouw draagt het kind, baart en zoogt het. Vanaf de foetus tot aan het ontspenen is het kind totaal afhanklijk van zijn moeder. Drie of vier jaar gaat het kind onafscheidelijk met zijn moeder mee; eerst in haar buik en daarna gebonden op haar rug.

Daarom is het heel natuurlijk, dat de maan het symbool werd van de vrouw. In vergelijking met de zon is de maan zwakker in lichtsterkte, maar de machtigste vanwege de sterren. De sterren zijn immers voor de Fioten de kinderen van de maan. Eenzelfde soort redenering wordt opgezet in vergelijking van de erwt Makoba (een soort capucijner) en de pindanoot. De erwt Makoba levert per jaar slechts een plant op, die, nadat de vruchten rijp en geoogst zijn, afsterft.

De pindanoot levert het gehele jaar door vruchten.

De erwt Makoba wordt slechts op een manier gegeten: gekookt. De pindanoot op verschillende manieren, bijvoorbeeld geroosterd of, geplet, als pindakaas.

De Fioten zijn matrilineair ingesteld. Hun kinderen behoren aan de moederlijke clan toe. Hun 'Nfumu' is de oudste broer van hun moeder. De man heeft dus nooit geheel eigen kinderen. Wel bloedeigen kinderen, maar geen clanwettelijk eigen kinderen. Wel kan hij clanwettig eigen kinderen hebben van zijn zussen, die dan ook Nfumu tegen hem moeten zeggen. De vrouw daarentegen heeft wel clanwettelijk eigen kinderen. Daarom is de vergelijking tussen de erwt Makoba en de pindanoot zo goed gekozen. De vrouw vergelijkt zich met de pindanoot en verklaart hierdoor: 'lk ben de machtigste'.

De figuur van de broedende kip verbeeldt het volksgezegde: 'lk kip, behoor toe aan de haan, maar ... de eieren zijn van mij'. Het karakteriseert zeer raak de verhoudingen tussen man en vrouw in de matrilineaire cultuur. Hier wordt de waarschuwing gegeven: 'lk heb kinderen en die verdedigen mij tegenover jou'.

Bijna alle potdeksels uiten een felle klacht tegen de echtgenoot. Niet andersom.

Dat is het logisch gevolg van het feit, dat de vrouw het eten kookt, het potje eten klaar maakt en het doorstuurt naar haar man. Daarom maakt een man weinig gebruik van een potdeksel wanneer hij kwaad is. Hij doet dat meestal op een andere manier: door lijdelijk verzet, door overzijn vrouw te klagen bij de clanleden en zelfs, door er een andere vrouw bij te nemen, maar dit alles valt buiten de opzet van dit werkje.

De potdeksels geven felle klachten weer van de vrouw en nooit lieve woordjes. De Fioten vrijen niet in het openbaar.

Gearmd lopen, elkaar kussen in het openbaar is taboe. Slechts een enkel potdeksel heb ik gevonden, waarop de tederheid van een bepaalde Fiote-vrouw werd weergegeven. Zo is er een deksel, waarop twee smekende handen voorkomen. De vrouw laat hier de huwelijksformule uitbeelden: laten we elkaar vasthouden en nooit verlaten'. Dus een smeken en een dringend verzoek om genade.

Zodra haar huwelijk in gevaar komt, grijpt de vrouw vanzelfsprekend naar het eerste ding dat haar in verbinding met haar man brengt: het potdeksel.

Een ietwat vage, maar veel voorkomende figuur wordt gevormd door de drie kookstenen, symbool van het spreekwoord: 'Drie kookstenen houden de etenspot recht'. Dat is duidelijke taal. Vier stenen zijn overbodig en nadelig, omdat ze vaak de oorzaak zijn van een wankel evenwicht. Twee stenen zijn gevaarlijk: zij verdubbelen het gevaar van omvallen van de aardewerk pot met de bolronde bodem.

De Fioten vinden dat er drie dingen nodig zijn voor een goed huwelijk:

1. De man moet zijn vrouw kleden.
2. De vrouw moet eten koken voor haar man.
3. Man en vrouw moeten sexuele omgang hebben.


Wanneer de vrouw het deksel met de drie kookstenen gebruikt, betekent het, dat een van deze drie dingen ontbreekt: kleding, eten om te koken of sexueel contact. Het is dan echter nog niet duidelijk om welk verwijt het gaat.

Daarom heeft men bijfiguren nodig om de klacht te verduidelijken, bijvoorbeeld het symbool van de raffia-doek, dat aanduidt: 'Je kleedt mij niet.'

Zoals zeer veel potdeksels, symboliseert ook de figuur van de krabbende eend een huwelijksprobleem. De vrouw verwijt haar man: 'Je bent een eend; je eet met je mond en je krabt met je mond' (en met je handen wil je niet werken). Dat is een klacht over zijn luiheid.

De kunstenaars van de Fioten hebben ieder een eigen stijl. De ene kort en krachtig in zijn uitbeeldingen, de ander meer dichterlijk.

De hierboven beschreven figuur van de krabbende eend, is een voorbeeld van korte, maar krachtige taal: 'Je bent lui.'

Het hieronder beschreven spreekwoorddeksel is een voorbeeld van dichterlijke weergave.

Het deksel heeft als centrale figuur een slak, met als bijfiguren een schilpad, een duif, een man en een hond. Rond het geheel is een liaan gegrift.

Het geheel vertelt het volgende verhaal:

Aan de voet van een struik zit een schildpad, halverwege de struik een slak en bovenin een duif. Plotseling ziet de schildpad een jager met een hond naderen. De schildpad roept: 'Zeg slak, ruk eens aan de liaan, dan vliegt de duif weg', maar de slak is lui en denkt: Wat kan het mij schelen of die duif geschoten wordt. Even later, een schot. De duif valt bovenop de schildpad en de hond komt bij hen staan te grommen. Zo wijst hij de weg aan de jager. Die komt naderbij, bukt zich en zegt: Hé, wat is dat? Ook nog een schildpad? Daar kan ik heerlijk soep van laten koken'.

De jager neemt de schildpad en de duif op, maar heeft nog een liaan nodig om de buit samen te binden. Hij kijkt in het rond en ziet de slak op de liaan. Hij zegt: Wat heb ik een geluk! Ook een slak kan ik heel goed gebruiken, want als ik naar de medicijnman ga, moet ik een slakkenhuis meebrengen om het geneesmiddel in te doen'. En zo werd de slak gevangen door zijn eigen luiheid.
 
 

Collectie : Rijksmuseum voor Volkenkunde Leiden.












Figuren en spreekwoorden

Om een dialoog te openen met haar partner over reeds bestaande of nog kiemende huwelijksperikelen heeft de Fiote-vrouw dus een geheel apart communicatiemiddel tot haar beschikking: het potdeksel.

Zij kan hier op ieder gewenst moment gebruik van maken, zonder het onaangename aanwezig zijn bij de eerste uitbarsting, terwijl deze bovendien sterk gematigd wordt door het publieke aanbieden in tegenwoordigheid van de naaste mannelijke clanleden. Een beschrijving van de spreekwoorden en de figuren, kan leiden tot een beter begrip van dit zeldzame communicatiemiddel. Het groeide bovendien uit tot een complete documentatie van het huwelijksleven van de Fioten en vervangt in zekere zin het dagboek van de westerse vrouwen.

Het verschaft tegelijkertijd aan de Fiote-vrouw de bewijsstukken van en argumenten over vroegere onenigheden, wanneer zich weer nieuwe wolken opstapelen boven het huwelijk. Bovendien kan de vrouw, aan de hand van haar serie potdeksels, de minder prettige ervaringen en de daaruit gegroeide levenswijsheid, gemakkelijker en meer gedocumenteerd doorgeven aan haar kinderen.

De figuren zijn primitief gestileerd en de volksgezegden geheel gegroeid in hun dagelijkse leven. Dat past evenwel vaak niet precies in onze denkpatronen: wij leven nu eenmaal niet tussen dat soort dieren en dingen.

De figuren worden sterk gestileerd en vereenvoudigd weergegeven door de kunstenaar-houtsnijder, de tekeningen

hierbij zullen noodzakelijkerwijs nog eenvoudiger zijn.

De spreekwoorden, hun archief van eeuwen-oude clanwijsheid, kunnen door ons vaak niet zo maar direct begrepen worden. Daarbij komt nog, dat de figuren voor meerdere uitleg vatbaar kunnen zijn, afhankelijk van de situatie. Maar wel is het duidelijk dat dezelfde oude clanwijsheid, ook bij onze westerse huwelijken, vaak toegepast zou kunnen worden. Daarom geef ik hier enige voorbeelden van de figuren.
 
 

Hoofdfiguur:  waarzegger met een fetisjmand.
Bijfiguren: klokrichting, te beginnen met de pinda, maan, zon, zeeschelp, openhandvrucht, oude pijp, nieuwe pijp, huwelijksfetisj.

Spreekwoord:  was ik maar voor ons huwelijk naar de waar zegger geweest.
Lezing: was ik maar naar de waarzegger (hoofdfiguur) geweest, dan zou ik zeker niet met jou
 getrouwd zijn; nu zijn we getrouwd (huwelijksfetisj); toch voel ik me gedwongen al mijn grieven uit te spreken (zeeschelp); ik heb alles aan jou gegeven: sex (openhandvrucht) en kinderen (pinda); en nu wil je me
 verstoten, omdat ik oud ben (oude pijp) en een jonge vrouw trouwen (nieuwe pijp); dat
 gaat zo maar niet; want wie is de sterkste, niet jij (zon), maar ik (maan), vanwege mijn kinderen.
Land: Cabinda
Volk: Fiote
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee: 19 cm.
 
 











Hoofdfiguur:  Kip naast 3 eieren.
Bijfiguren:   geen
Spreekwoord: een kip doodt haar eigen kinderen, wannee ze naast de eieren gaat zitten.
Lezing: klacht van een vrouw vanwege de luiheid van haar man en zijn egoïsme:
 'zoals de kip dood je door je luiheid je gezin; wanneer je te lui bent om voor ons te zorgen
 raak je ons kwijt, want dan gaan we weg'.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:  17,5 cm.
 
 

Hoofdfiguur:  schildpad.
Bijfiguren:  koningstrom en tweebel, hakijzer, bijl.
Spreekwoord: de schildpad draagt zijn huis altijd bij zich.
Lezing: het hout van de haksteel kan verrotten, maar het ijzer niet: wat mij is aangedaan vergeet ik
 nooit meer; allang heb ik iets op mijn hart liggen, weet, dat ik van gegoede huize ben (koningstrom
 en tweebel); ik ben geheel vrijwillig met je getrouwd en ben daar niet toe gedwongen, zoals je een
 steel wel in een bijl kunt dwingen; je laat me altijd maar alleen en neemt me
 nooit mee; een schildpad neemt toch ook zijn huis mee? zo kan er niemand anders in
 wonen; als het zo doorgaat ga ik me nog eens misdragen.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee: 18 cm.
 
 

Hoofdfiguur:    Zittende vrouw, moedeloos.
Bijfiguren:       pinda, noot, schelpje (ta-nsosso), kaurischelpje.
Spreekwoord:   ik heb geen stoel meer om op te zitten.
Lezing:      ik ben kwaad, dat zal ik je vertellen (ta-nsosso); vroeger was ik rijk (kaurischelpje), nu niet meer (moedeloze vrouw);  weet je niet, wie de voornaamste is, de man  (noot) of de vrouw (pinda)?
Land:    Cabinda
Volk:  Vili
Collectie:   Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:   18,5 cm.
 
 

Hoofdfiguur:  Krab zonder scharen.
Bijfiguren: opgerolde duizendpoot met een takje, openhandvrucht (chiala-mioko), noot (ntumpumvemba).
Spreekwoord:   een krab rukken ze de scharen af, dan heeft ze geen macht meer.
Lezing:  ik kan het niet langer verdragen (noot), ik heb me altijd helemaal aan je gegeven (openhandvrucht), maar jij behandelt me op een walgelijke manier (duizendpoot en het takje, dat met een verachtelijk gebaar wordt weggegooid, nadat de duizendpoot ermee van de weg geveegd is); lk heb geen verweer en voel me machteloos (krab zonder scharen).
Land:  Cabinda
Volk:  Vili
Collectie:  Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:  18,5 cm.
 
 











Hoofdfiguur:  blaasbalg, ijzeren punt en vuur.
Bijfiguren: openhandvrucht (chiala-mioko), twee schelpjes (seva-mbi), twee kaurischelpjes, schelp (ta-nsosso).
Spreekwoord: als een blaasbalg een ijzeren punt heeft, dan kan hij niet verbranden.
Lezing: lach me maar uit (seva-mbi); ik wil de waar heid zeggen (ta-nsosso) en vrede stichten (kaurischelpjes); ik ben gezond (ijzeren punt) en je krijgt van mij niet de geslachtsziekte (vuur); bovendien heb ik sex appeal genoeg (open handvrucht); waarom ga je dan naar de prostituees? een man heeft een vrouw nodig en wel een gezonde om de gevreesde geslachtsziekte te voorkomen.
Land:  Cabinda
Volk:  Vili
Collectie:  Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:  24 cm.
 
 

Hoofdfiguur:  Kip met een vrucht in haar bek.
Bijfiguren: openhandvrucht (chiala-mioko), palmnoot, schelpje (ta-nsosso), takje.
Spreekwoord:   de kip behoort aan de haan, maar de vrucht in haar bek is van haarzelf.
Lezing: het zit mij tot hier (takje) en ik kan niet langer zwijgen (schelpje); er zijn mannen genoeg; zoveel, als er palm noten zijn, die op de mesthoop rotten; maar als ik wegga, dan neem ik mijn kinderen mee (vrucht in de bek).
Land: Cabinda
Volk:  Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee: 16,5 cm.
 
 

Hoofdfiguur:  Ijzeren armband.
Bijfiguren: dragers met een draagstoel, waarin een zieke ligt, die zijn arm heeft gebroken; man, die met een stok loopt en zijn been heeft gebroken.
Spreekwoord: doe de ijzeren armband los; er zitten luizen in.
Lezing: je overstroomt mij met onredelijke verwijten (armband), dat is onzin, want ik zou jou juist verwijten moeten maken (manke en zieke man) over je luiheid, je overspel enz.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:  17 cm.
 
 

Hoofdfiguur:  Tweebel.
Bijfiguren:  huwelijksfetisj Lembe, vrucht ntumpu-mvemba, scepter, Mbonda-fula, (het koningsteken) maniokrasp, haakstok, wegkruisingen, vis, blaasbalg, 2 schelpjes ta-nsosso.

Spreekwoord:  wie een tweebel koopt wil lawaai.
Lezing: lk ben van koninklijke bloede (scepter en Mbonda-fula) en geef je eten (vis en maniok
 rasp) en mijn lichaam (vrucht chiala-mioko); toch wil je een vrouw hebben (blaasbalg);
 dat zit me dwars (2 schelpjes ta-nsosso); daarom zeg ik je (vrucht ntumpu-mvemba):
 we zijn echt getrouwd.
Land:  Cabinda
Volk:  Vili
Collectie:  Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:  18 cm.
 
 

Hoofdfiguur:  Kookpot op 3 mierenstenen.
Bijfiguren:   geen.
Spreekwoord:  zoals 3 stenen de kookpot dragen, zo heb ik recht op kleding, voedsel en huwelijksomgang.
Lezing: klacht van een vrouw, die vindt dat ze iets tekort komt in haar huwelijk.
Land:  Cabinda
Volk:  Vili
Collectie:  Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:  18 cm.
 

Spreekwoorden in het inwijdingsritueel












Spreekwoorden spelen ook een rol bij het inwijdingsritueel voor de meisjes van de gemeenschap. Tijdens die periode leren ze van de oudere vrouwen allerhande zaken over het sociale en sexuele leven aan de hand van spreekwoorden, en, vroeger, van beddeplanken en spreekwoorddeksels.

Bij hun huwelijk kregen de meisjes een aantal deksels van hun tantes, opnieuw vergezeld van de nodige tekst en uitleg.

Beddeplank 1

Twee geiten vastgebonden aan een paal.
Spreekvvoord:  Wie twee geiten aan een paal vastbindt moet rekenen op verwarring van de touwen.
Lezing: Wie twee vrouwen trouwt (of meerdere) moet er rekening mee houden dat daar ruzie van komt.
Land: Cabinda
Volk: Woyo
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Afmeting:  50 x 22 cm.
 
 

Beddeplank 2

Op deze plank zijn o.a. de volgende symbolen aangebracht:

a. Man met geweer.

Spreekwoord: Houdt mijn geweer even vast, dan kan ik gaan poepen.
 Nu je een mens voor je ziet denk je ervan te kunnen profiteren.
Lezing: Wel goed, maar niet gek. De jager had zijn geweer net zo goed tegen een boom kunnen Zetten.

b. Een tweebel.
Spreekwoord:  Tingeling. Dit land heeft oren. ledereen die oren heeft moet luisteren naar het woord van hoofdman en nganga.

Lezing:  Luister naar het wettig gezag.

c. Een cirkeltje.
Spreekwoord:  lk, regenplas, droog op waar ik gevallen ben.

Lezing: 1.  Er zijn veel toestanden, die men moet aanvaarden.

              2.   lk laat mij niet verdringen van de plaats die mii toekomt.
 

d. Een boot.
Spreekwoord: Wees maar niet bang, we varen in een grote boot.
Lezing: Je moet niet te gauw bang zijn. Vooral bij moeilijkheden met je man moet je niet vergeten, dat je een eigen machtige familie achter je hebt staan.

e. Een deuropening.
Spreekwoord: De deuropening kijkt naar binnen en naar buiten.
Lezing: Zoals een deuropening de zaken van twee kanten bekijkt, zo moeten ook de ouderlingen bij een palaber de zaken van twee kanten bekijken.

f. Krokodil en kaairnan.
Spreekwoord: De krokodil plonst in het water; de kaaiman plonst in het water. Beide verwekken een
 verschillende golfslag.
Lezing: Kleine mensen en grote mensen kunnen precies hetzelfde zeggen. Maar zie eens wat
 een verschil in uitwerking. Daar moet je in berusten.

g. Achteromkijkende vogel.
Spreekwoord: Waar ik vandaan kom, kan ik daar soms niet naar terug? Heb ik er soms iemand opgegeten?

Lezing: Wie zich van geen kwaad bewust is, hoeft niet bang te zijn.

h. Drie kookstenen.
Spreekwoord:  Drie kookstenen dragen de pot.
Lezing: Voor een goed huwelijk zijn drie dingen nodig: voedsel, kleding en sexuele omgang.

i. Twee personen, die elkaar de hand reiken.
Spreekwoord:  Laten we elkaar de hand geven en niet meer loslaten.
Lezing: Blijvende vriendschap is goed voor beide partijen.

j. Een pet.
Spreekwoord:  Heeft een zieke zijn pet op, dan zal het wel loslopen met zijn ziek zijn (Hij gaat immers wandelen).
Lezing: Vele dingen worden erger voorgesteld dan Zij zijn.
 
 











Land: Cabinda
Volk: Woyo
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Afmeting: 33 x 20 cm.
 
 

Hoofdfiguur:  De tweebel (ngonge).
Bijfiguren: stokje om de tweebei te slaan, het mesvormige koningsteken, 4 tot blaashoorns verwerkte olifantstanden en de Mbonda-fula het koningsteken.
Spreekwoord:  mijn vader liet mij na: de olifantstanden, de antiloophoorn, het sceptermes en het ver bondsteken.

Lezing: van de vier tot blaashoorn verwerkte olifantstanden, in grootte aflopend de echtgenoot
 de echtgenote, het kind. De allerkleinste heet 'moeder' en dient als bewijsstuk dat dit
 dorp of deze familie het recht heeft om de olifantstanden te bezitten; met al deze teken
 wil de vrouw zeggen: ik ben van voorname familie; ook al ben ik je vrouw, je kunt me
 toch niet gebruiken als een slavin.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee: 16,5 cm
 
 

Hoofdfiguur:  voet, die een gevallen palmboom vertrapt.
Bijfiguren: openhandvrucht (chiala-mioko), twee schelpjes, huwelijksfetisj Lembe, twee zeegolven.
Spreekwoord: een palmboom die gevallen is, wordt betreden met de voet,
 doch als hij staat, dan kiest hij (zelf) de beklimmers.

Lezing: ik ben erg kwaad (twee schelpjes);  wij zijn getrouwd (lembe-fetisj) en ik heb me
  aan je gegeven (openhandvrucht);  vroeger was ik mooi en kon ik zoveel min
  naars krijgen als ik maar wilde;  nu ben ik oud en lelijk (gevallen palmboom)
  en geminacht (voet);  Maar daarom hoef je toch niet dagelijks ruzie met me te maken? (zeegolven)
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee: 18 cm.
 
 











Hoofdfiguur:   Vogel 'ngongongo' in scheervlucht.
Bijfiguren:    golven.
Spreekwoord:  de ngongongo vist in het meer en zegt: ik vis alleen maar.
Lezing: vredesvoorstel van een vrouw aan de echtgenote van de man met wie ze een tijdje heeft
 aangepapt en die erg kwaad op haar is: Iaten we toch vriendinnen blijven; ik ben niet
 gekomen om je je man te ontnemen; ik vis heel even, maar Iaat het meer achter'.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:  18,8 cm.
 
 

Hoofdfiguur: vier duiven die aan de vrucht knabbelen.
Bijfiguren: geen.
Spreekwoord: vier duiven pikken van dezelfde vrucht.
Lezing: a) dreigement: er waren vroeger veel mannen, die mij begeerden; wanneer je mij niet goed behandelt, ga ik naar een ander;
 b) goedkeuring: je wilt er een ander bij nemen? ik vind het best.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee: 17,7 cm.
 
 











Hoofdfiguur: Hut, met een kromme boomstam als stutbalk voor het dak.
Bijfiguren: openhandvrucht (chiala-mioko), zon en maan, regenplas, pinda, noot, lembe-fetisj.
Spreekwoord:  de draagbalk achter de hut geplaatst, zegt:  mijn ongeluk kwam al met mij uit het bos;
  onder het omhakken zei men: 'deze kromme  kan wel dienen als stutbalk achter de hut.
Lezing:  een vrouw stort haar hart uit: vanaf het begin heb ik het niet bij je getroffen (scheve stutbalk); je wilt er nu een tweede vrouw bijnemen, maar ik laat me niet verdringen (regenplas); ik ben vruchtbaar geweest en heb je kinderen geschonken (pinda); denk toch aan onze toewijding aan de huwelijksfetisj Lembe; ik wil het best opnieuw proberen, maar de liefde kan niet van een kant komen (openhandvrucht); ik ben trouwens bes machtig, want ik heb de kinderen (zon en maan).
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee: 18,5 cm.
 
 











Hoofdfiguur:  Tamtam.
Bijfiguren: noot (ntumpu mvemba), sandaboom, twee stokjes om de tamtam te slaan.
Spreekwoord: waarom ik een ficusboom geplant heb: ik wil een tamtam eronder plaatsen, dan is
 immers de tam-tam verder hoorbaar, om zo doende een grote naam te krijgen.
Lezing: ik zeg alles (noot); ik wil slagen in mijn poging om kinderen te krijgen;
 jij slaat maar met stokjes: ik weet wel, dat je je best doet, wat betreft de huwelijksdaad,
 maar je bent impotent; mag ik een andere man zoeken, die mij wel kinderen kan geven?
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee: 18 cm.
 
 












Hoofdfiguur:  Twee kaurischelpjes op een steen.
Bilfiguren: noot (ntumpu mvemba), kippekop op een etensbord, erwt Macoba, stuk bouwland, palmnoot.
Spreekwoord: de erwt duurt voort (in het nageslacht), de palmnoot rot weg op de mesthoop.
Lezing: ik zeg alles (noot); ik ben kostbaar vanwege de bruidsschat (kaurischelpjes), maar jij bent gierig (kippekop); wie is de belangrijkste, de man of de vrouw (palmnoot of erwt)?
 de vrouw natuurlijk, want zij baart de kinderen; om een kleinigheid (stuk bouwland) maak je je boos; dat wil ik niet; dit isechter een zachtverwijt, want de figuur 'ik ga weg' ontbreekt.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee: 19 cm.
 
 












Hoofdfiguur:    Krabbende eend.
Spreekwoord:  de eend gebruikt niet haar poten. ze gebruikt haar mond om te eten en te vlooien
Lezing: met je handen wil je niet werken, je bent lui, je bent een eend; je gebruikt je mond en niet
 je handen.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden
Doorsnee: 18 cm.











Hoofdfiguur:  Slang, die in een kalebas kruipt.
Spreekwoord:  sla de kalebas kapot of wacht tot de slang er uitgekropen is.
Lezing: wanneer er een slang in een kalebas gekropen is, zegt de een: 'sla de kalebas kapot'
 en de ander 'wacht eerst tot de slang er uit gekropen is', maar het Iaatste woord is aan
 de eigenaar van de kalebas; de vrouw is onderdanig aan de man.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:  17 cm.
 
 











Hoofdfiguur:  vijzel en stamper.
Bijfiguren: noot (ntumpu mvemba), toverdoos, etensrasp, mes.
Spreekwoord:  een stamper is voldoende om in een vijzel te stampen.
Lezing: ik zeg je alles (noot); ik heb de fetisj Nknob Bingu geraadpleegd
 (toverdoos); ik zorg voor je eten (etensraspen mes) en nu kom jij met een andere vrouw aan om mee te
 trouwen? Dat neem ik niet (een vijzel en een stamper); protestvan een vrouw, van wie de man er een
 vrouw bij wil nemen.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee: 17,5 cm.
 
 











Hoofdfiguur:  hemelkoepel met in het zenith de zon.
Bijfiguren:  geen.
Spreekwoord: als de zon en de maan elkaar ontmoeten, dan doen ze dit in het zenith.
Lezing: in het huwelijk verenigen zich twee karakters; laten we geen ruzie maken;
Of:  wie is de voornaamste: de zon of de maan? (man of vrouw) Antwoord: de maan, want die heeft de sterren; zo ook de vrouw, want die heeft haar kinderen; kan ook een dreigement zijn van een vrouw aan het adres van haar man: denk eraan, ik ben de sterkste, want ik heb de kinderen, die mij helpen.
Land:  Cabinda
Volk:    Vili
Collectie:  Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:  20 cm.
 
 

Hoofdfiguur:  Twee smekende handen.
Bijfiguren:  opgerolde duizendpoot, schelpje (ta-nsosso).
Spreekwoord: Iaten we elkaar vasthouden nooit verlaten', dit is de huwelijksformule i.p.v. 'ja, ik wil'.
Lezing: ik zeg je alles (schelpjes); ik ben zo rampzalig (opgerolde duizendpoot),
 maar denk toch aan onze huwelijksformule en laat me niet in de steek.
Land: Cabinda
Volk: Vili
Collectie: Afrika Museum Berg en Dal
Doorsnee:  19 cm.
 

Literatuur

Bittremieux, L.  Symbolisme in de Negerkunst. Brussel  1937.
Cornet, J. Quaderni poror. Milano 1980.
Dartevelle, Dr. E.  Les 'N'zimbu' monnaie de Royaume ou Congo, Brussel 1953.
Eisenburger, C.M.S. Religieuze Aspecten bij de Geschilbeslechting in Zwart-Afrika. Beek 1981.
Gerbrands, A.A.  Kunst aIs Cultuur-Element in het bijzonder in neger-Afrika. Leiden 1956.
Martins, Joaquim  Sabedoria de Cabinda (simbolos e proverbios). Lissabon 1968.
..............  O simbolismo entre os pretos do Cabinda. Lissabon 1961.
Vaz, J. Martins Filosofia tradicional dos Cabindas (2 vol.). Lissabon 1968.
 ..................No mundo dos Cabindas. Lissabon 1970.
Vissers, Fr. Zestien eieren op de schaal (over kippespreekwoorden bij de Fioten).
 'Bode van de H. Geest'. 1948, pagina 172.
Vissers, J. Zeg het met deksels.
 'Bode van de H. Geest'. 1948.
 .................. Manifestacao moderna de sabedoria Antiga.
'Portugal em Africa'. 1953.
 ..................Bruidsprijs en HuwelijksHefde 'Het Missiewerk' 1960.
 ..................Alabamento e amor conjugal. 'Portugal em Africa'. 1964.
 


               Jan Vissers 1982

Eerste druk 1982
Tweede gewijzigde druk 1985
© 1985 AFRIKA MUSEUM - BERG EN DAL
Tekst: Jan Vissers C.S.Sp.
Samenstelling: Ineke Eisenburger
Fotografie: zwart-witopnamen Theo Janssen
kleuropnamen Frits Terpoorten
Layoutadvies : Ad van Dijk
Druk: Janssen , print, Nijmegen
Foto omslag: Kip die naast haar eieren zit.
Collectie: AFRIKA MUSEUM
http://www.afrikamuseum.nl/
 


MENU - INDICE